Autoblad voor gevorderden
Limozine is een onregelmatig onderhouden blog over auto's en daaraan gerelateerde onderwerpen.

Meld je aan voor de e-mail update
Naam:
 
E-mail:
 

door Peter van den Hoogen | 06-06-2011 |

Op de Salon van Genève, die in maart van dit jaar plaatsvond, presenteerden de ontwerpers van het Turijnse designhuis Bertone hun visie op Jaguar in de vorm van een model die zij voor eigen rekening hadden ontwikkeld. Het spectaculaire voorstel, B99 genaamd, werd door de meesten met enthousiasme ontvangen. Het is niet echt een retromodel maar roept toch sterke herinneringen op aan vervlogen tijden, toen de wilde katten uit Coventry nog werden gekenmerkt door een mooie mix van agressie en elegantie.


Sure, he's a cat: de Jaguar B99 op de stand van Bertone tijdens de Salon van Genève, Maart 2011.

De plaats en het moment van de presentatie getuigt van historisch besef: precies vijftig jaar eerder zorgde Jaguar zelf voor sensatie in Genève met de introductie van hun nieuwste ras: de E-type. Hoewel de naam van de B99 verwijst naar het 99-jarige jubileum van Bertone, is de link met de jubilerende E-type sneller gemaakt. De verjaardag van deze beroemde sportwagen houdt iedereen bezig en wordt overal groots gevierd. Gisteren nog, stond de E-type op het circuit van Zandvoort weer volop in de schijnwerpers. Kortom, tijd voor een terugblik.


Show-stopper op de Salon van Genève in 1961. De auto had twee dagen lang verborgen onder een kist op de beurs gestaan om zodoende de spanning op te voeren bij het publiek. Let op het perzisch tapijt.

Het waren de extreem verleidelijke looks, de superkrachtige motor en de relatief lage aanschafprijs waarmee de E-type een halve eeuw geleden de show stal in Genève. En ook in New York zorgde deze sportwagen dat jaar voor sensatie; een record aantal bezoekers was het gevolg. Begrijpelijk dat zo'n eye-catcher direct door filmstudio's en reklamemensen werd ingezet om allerlei producten op een verleidelijke manier aan de man te brengen. Voorbeelden hier (aftershave), hier (spaarrekening), hier (shampoo), hier (panties), hier (tv-serie), hier (fototoestel), hier (chocolade), en hier (benzine).


Twee producten met dezelfde naam. Welk product rockt hier nu eigenlijk?



Nee, geen filmset. Gewoon een E-type die voorbij komt rijden.

Met supersterren als George Harrison en George Best aan het stuur, groeide de E-type al snel uit tot een icoon van de swinging sixties. Daarom is het een belevenis als je deze sculptuur eens een keer in het echt ziet rijden, bijvoorbeeld tussen een Skoda Fabia en een Kia Picanto. Echter, in het wild heeft deze kattensoort nooit goed kunnen overleven; de filmset lijkt eerder zijn natuurlijke habitat (zie de indrukwekkende lijst met filmrollen). Wil je de E-type leren kennen, dan zul je je moeten wenden tot zijn leefwereld op het witte doek. Kijk daarom mee naar het meest treffende voorbeeld van "E-typecasting". We moeten daarvoor terug naar de cultfilm Danger Diabolik uit 1968.



Affiches voor Danger Diabolik (1968). Aan de linkerkant zien we het affiche zoals we het graag zien. Het verwijst naar de oorsprong van Diabolik als stripheld. De golven op dit affiche (in ketsende kleuren en getekend met onvaste hand) doen denken aan franstalige (psychedelische) pop art stripverhalen voor volwassenen uit die periode, zoals Jodelle (1966) en Pravda la Survireuse(1967), destijds hippe creaties van de befaamde belgische tekenaar Guy Peelaert. Maar ook het briljante tekenwerk voor Iris (1968) van de chinees/nederlandse tekenaar Thé Tjong-Khing, uitgegeven door de Bezige Bij, sluit hierbij aan. In de videoclip van het franse nummer Comic Strip door Brigitte Bardot en Serge Gainsbourg zien we daar ook iets van terug. Tja, en dan zien we rechts het nederlandse affiche, waar al die bijbetekenissen zijn verwijderd. Less is more? Niet dus.

Danger Diabolik combineert de camp van Batman, de actie van James Bond en de cult van Barbarella. Dit alles resulteert in een stroom van visueel genot, voortgestuwd op de muzikale golven van Ennio Morricone, die de kijker overspoelt met opgejaagd jazzgeweld of juist melodieus wiegend meevoert naar paradijselijke oorden. Allemaal sferen waarin een Jaguar E-type zich thuisvoelt.


Kat en muis spel.

In de film zien we de Jaguars als roofdieren op jacht gaan langs onbegaanbare bergwanden en bospaden om zich vervolgens in bezit van prooi te verschuilen in een tunnel of een grot. Ze worden op hun staart getrapt door de ongrijpbare terrorist Diabolik ("a Bankrobbin' Hood") en zijn veeleisende vriendin Eva Kant. De gemaskerde anti-held steelt van de rijken, maar geeft niets aan de armen; de buitgemaakte bankbiljetten belanden voor een groot deel op bed bij Eva ("she can't get a good night sleep unless she's covered with money").


A black cat crossing...


Eva en Diabolik vlak voordat zij een coup gaan plegen.

Maar het geld wordt ook goed besteed: beiden beschikken over hun eigen wagenpark, dat uitsluitend bestaat uit Jaguar E-types; hij allemaal zwarte, zij allemaal witte. Daarom past dit hogesnelheidsspeeltje zo perfect in het plaatje: vanwege die tweeslachtigheid (als een fallussymbool met vrouwelijke elegantie).


Sluipmoordenaar...


Faster, Pussycat!


Een Jaguar met een tijger in z'n tank.

De Jaguars van Eva en Diabolik staan geparkeerd in een ondergrondse grot waar ook hun ultraluxe villa is opgetrokken. De inrichting van de grot (die overigens alleen bestond op een glasplaatje dat voor het beeld werd geschoven) is zo indrukwekkend, dat het engelse tijdschrift Wallpaper er bij wijze van spreken een jaargang lang uit zou kunnen putten.

 
Regisseur Mario Bava heeft met zijn special effects alles uit de kast gehaald om oogverblindende interieurs te creëren. Blijven kijken tot en met de douchescène.

Minpuntje aan de film is het verhaal. Dat blijft steken op het niveau van de Batman televisieserie uit de jaren zestig. Begrijpelijk, want ook Diabolik is van origine een superheld die in stripvorm verscheen en het thema van de superheld is nu eenmaal zo sterk gestoeld op puberale fantasietjes, dat daar niet gemakkelijk een geloofwaardige verhaallijn omheen is te creëren.


Galmen, brullen en door de bochten gieren.

Het bezitten van een Jaguar E-type was eigenlijk één van de weinige zaken uit de film die korte tijd nog enigzins realistisch leek, mits je af en toe wat geld opzij zette. Maar in de jaren tachtig, toen het verzamelen van klassieke auto's een populaire rechtse hobby werd, rezen de prijzen voor E-type's plotseling zozeer de pan uit, dat sparen voor velen geen zin meer had.



Jammer dat nieuwe Jaguars nooit zo'n cultstatus zullen krijgen; die lijken teveel op grote Ford Mondeo's. Alle hoop is dus gevestigd op Bertone, die het merk weer de goeie kant op wil sturen. Ze lijken de draad opgepakt te hebben waar het misging: bij de ontwikkeling van de Jaguar XJ 6/12, aan het begin van de jaren zestig. Studiemodellen uit die tijd tonen aan dat men bij Jaguar aanvankeliijk dacht aan een saloon uitvoering van de E-type. Dat uitgangspunt leverde destijds prachtige vormen op; vormen die nooit werden gebruikt omdat men later besloot om de XJ serie meer in de richting van diens voorganger, de Mark 10, te trekken.

En nu, vijftig jaar later, worden we door de B99 van Bertone weer aan die vormen herinnerd. Echter, bij Jaguar heeft men inmiddels officieel laten weten zich niet te kunnen identificeren met de Italiaanse voorstellen. De cult van de kat krijgt voorlopig geen vervolg. Eeuwig zonde en jammer van al dat werk. En dan te bedenken dat ze in Turijn al zes keer eerder een Jaguar voor niets hebben ontworpen: voorbeelden hier (1957), hier (1966), hier (1967), hier (1974), hier (1976) en hier (1977). In plaats van zich te verdiepen in het verleden van Jaguar had men er bij Bertone wellicht goed aan gedaan om eerst eens in het eigen verleden te duiken.

In ieder geval houden ze een lange traditie in ere: het werpen van doodgeboren welpen. Al met al lijkt de wedergeboorte van een nieuwe E-type nog ver weg. Maar er is nog hoop, een kat heeft immers negen levens...



Niet voor de poes (1): prototype van de Jaguar XJ6/12 uit 1962. De vormen doen sterk denken aan die van de E-type.


Niet voor de poes (2): de Jaguar B99 van Bertone uit 2011 zou je een moderne interpretatie van bovenstaand prototype kunnen noemen.


Ook de achterkant doet denken aan de E-type.


De achterkant van de B99 vertoont overeenkomsten met de achterkant van het prototype uit 1962.

 


 

(ADVERTENTIE)








Zou bovenstaande foto met een groothoeklens zijn genomen? Waarschijnlijk wel, maar bij foto's van een E-type moet je toch vaak twee keer kijken. In het ontwerp zijn de koplampen immers zo strak over de grille naar achter getrokken dat het al gauw lijkt of er met optische effecten is gewerkt. Met z'n dynamische lijnen en z'n perspectivische vervormingen nam de E-type alvast een voorschot op de swinging sixties.

De E-type was te koop als coupé en als cabriolet .

Daarbij sloot de rest van de styling perfect aan bij het nieuwe vrouwelijke schoonheidsideaal; de dagen van de volle wulpse filmdiva's waren voorbij en de tijd van slanke fashion models lag nog in het verschiet. Hoewel de vormen onmiskenbaar elegant en vrouwelijk waren, werd de E-type ook als fallisch beschouwd. De oorzaak daarvan moet ongetwijfeld worden gezocht in de lengte van de motorkap. Journalist Henry Manney noemde de E-type "the greatest crumpet-catcher known to man" ( crumpet = hot girl).



Met al die wilde en sexy associaties lijkt de ontwerper van dit alles volledig los te zijn gegaan, maar niets is minder waar; hij stond juist met beide benen op de grond. De relatief onbekende Malcolm Sayer, begaf zich, net als zijn vader, in een wereld die door wiskunde en design werd bepaald; de E-type was juist het resultaat van ver doorgevoerd rekenwerk.




Met zijn wetenschappelijke achtergrond en zijn ervaring in de luchtvaartindustrie pastte Sayer, lang voor de komst van windtunnels, als één van de eersten aerodynamische principes toe op de vormgeving van sportauto's.



De E-type was in feite een productierijpe voortzetting van de succesvolle Jaguar D-type en C-type— experimentele fabriekswagens die in kleine aantallen werden gebouwd, uitsluitend bedoeld voor deelname aan internationale races. Deze sportwagens werden door Sayer voorzien van revolutionaire autotechniek, afkomstig uit de luchtvaart.


The art of performance: een Jaguar D-type in actie tijdens de race van Le Mans in 1955.

Omdat tijdens de ontwikkeling van de E-type de nadruk zozeer op de techniek had gelegen, twijfelde de grote baas van Jaguar, sir William Lyons, lang over de winstgevendheid van het prototype. Toen uiteindelijk het produktiestadium naderde, voorzag hij het voor de zekerheid van de bekende verleidelijke poespas in het interieur (luxe snufjes die men van Jaguar kon verwachten zoals chromen knopjes, hendeltjes, stripjes, klokjes en zorgvuldig afgewerkte details van leer). Daardoor veranderde het prototype van een experimentele racer in een sexy superster.


Het eerste prototype van de E-type (de E1A) uit 1957, met zijn spartaanse uiterlijk opgetrokken uit aluminium, baarde William Lyons grote zorgen. Kijk hier naar de enige filmbeelden die zijn overgebleven van de auto.

Lyons wilde niet dat de E-type werd gezien als een typisch britse uitspatting en koos daarom bewust voor de Salon van Genève om zijn creatie aan de pers te presenteren. Dat pastte beter bij het gewenste imago van een 'continental tourer'.


Auteur Philip Porter is eigenaar van de twee beroemdste Jaguar E-type's : de auto's met kentekens 9600HP (coupé) en 848CRY (cabriolet). De laatstgenoemde werd bekend door een beroemde filmscene uit The Italian Job (voor een artikel over de film, zie Limozine 8: On Days Like These)

Het exemplaar dat in Genève werd tentoongesteld was het zevende prototype dat de fabriek verliet. Het zou de beroemdste E-type aller tijden worden. De auto, te herkennen aan kenteken 9600HP, werd door diverse autotijdschriften uitgetest.

Het was o.a. Maurice Arthur Smith (een RAF master bomber, die leiding had gegeven aan een golf van bombardementen op Dresden in Februari 1945), die met zijn uiterst lovende testverslag de nieuwe E-type op de kaart zou zetten.

Zijn enthousiasme was het resultaat van het feit dat hij met de E-type de magische snelheid van 150 mijl per uur had weten te bereiken (241 km/h). Deze snelheid was destijds de 'holy grail' op sportwagengebied, tot dan toe slechts bereikbaar voor veel duurdere sportwagenmerken als Aston Martin en Ferrari. Het nieuws over de topsnelheid van de E-type sloeg dus in als een bom.


Wham!—And you are doing 150 miles an hour! (The Sunday Express, April 1961)

De pers had geen idee dat de produktiemodellen van de E-type in werkelijkheid helemaal geen 150 mijl per uur konden halen. Bij Jaguar had men er tijdens de ontwikkeling weliswaar alles aan gedaan om dit mogelijk te maken maar het was niet gelukt om deze snelheid uit het 265 pk tellende motorblok te persen. Daarom had men de testauto uiteindelijk stiekem voorzien van een groot aantal onderdelen die afkomstig waren van de D-type racewagen.

Niemand had iets in de gaten en het zou jaren duren voordat deze actie uitlekte. Het gerucht werd in 1999 bekrachtigd toen de 9600HP werd teruggevonden in een boerenschuur. Tijdens de restauratie stuitte de eigenaar inderdaad op een groot aantal onderdelen die van de D-type waren geleend.


15 Maart 1961: Sir William Lyons presenteert de Jaguar E-type in Genève aan de pers

Het was diezelfde 9600HP die door de beroemde testrijder Norman Dewis voor de presentatie in Zwitserland 's nachts in één ruk van Coventry naar Genève werd gereden. Dewis kwam daar twintig minuten voor de opening van de tentoonstelling aan; nog net op tijd om de auto bij de plaatstelijke Jaguar dealer een wasbeurt te geven en te overhandigen aan de grote baas, die de auto bij het Restaurant du Parc des Eaux-Vives trots aan de wereldpers zou presenteren.

In Italië noemde Enzo Ferrari deze Jaguar de best ontworpen auto ter wereld; een opmerkelijke uitspraak want zijn eigen produkten presteerden dus niet beter dan de E-type, maar de prijzen daarvan lagen wel drie maal zo hoog.

In de Verenigde Staten, waar de auto werd gepresenteerd door de actrice Marilyn Hanold (playmate June 1959), viel het nieuwe model direct in de smaak bij een grote groep jonge mensen uit de wereld van de jetset. (tussen 1961 en 1975 werden zes van de tien geproduceerde E-types in de VS verkocht)

In thuisland Engeland daarentegen, werd de E-type in het begin niet helemaal begrepen; de auto werd vooral bestuurd door oude aristocratische heren in tweed jasjes; pijprokende mannen die je eerder zou verwachten in auto's van net na de oorlog zoals Triumph TR 2's of MG TC's.

Maar toen Londen het middelpunt van de jaren zestig werd, groeide de E-type al snel uit tot één van iconen van de nieuwe swingende tijd. Beroemde eigenaren werden George Harrison, John Barry, George Best en The Dave Clark Five.


George Harrison met zijn Jaguar E-type (series I)


Toppunt van popcultuur: George Harrison zet een plaatje op in zijn Jaguar E-type. Philips maakte aan het begin van de jaren zestig een ware platenspeler voor in de auto; de Auto-Mignon AG2101. Luister naar audio hier


Jaguar E-type als "greatest crumpet-catcher known to man". George Barry met zijn vrouw Jane Birkin.

De E-type was een tweezitter, aanvankelijk uitgerust met de motor van zijn voorganger, de Jaguar XK150S; een zescilinder 3,8 liter blok. Er waren twee carrosserie varianten op de markt: een coupé en een cabriolet. In 1964 werd ook een 4,2 liter blok aangeboden.Twee jaar later volgde een versie met langere wielbasis die ook als automaat verkrijgbaar was (de zogenaamde 2+2).

Over de vormgeving van die verlengde versie was niet iedereen te spreken. Maar de E-type verloor pas echt z'n goeie looks in 1969, toen een ingrijpende makeover aan het exterieur volgde, zoals andere bumpers, richtingaanwijzers, achterlichten en grille (series II). Onder invloed van nieuwe amerikaanse regelgeving werd ook het interieur gewijzigd. Vanaf 1971 was alleen nog het verlengde chassis verkrijgbaar (series III). Niet alleen aan de buitenkant werd de auto groter, ook motorisch bleef het allemaal doorgroeien. In het vooronder lag voortaan een moddervet 5,3 liter twaalfcilinder blok.

Drie jaar later viel uiteindelijk het doek. De E-type was toen een "Fat Cat" geworden, die door meerdere facelifts zijn "catwalk beauty" allang verloren had. Iets wat supersterren op latere leeftijd wel vaker overkomt...




De gezusters Giussani.

De film Danger Diabolik werd gebaseerd op de avonturen van Diabolik, een geweldadige italiaanse stripheld die al sinds 1962 in pocketformaat verschijnt. Anders dan je van een terroristische anti-held als Diabolik zou verwachten, blijkt ie nu eens niet ontsproten te zijn uit het brein van een gefrustreerde mannelijke striptekenaar die als kind teveel gepest werd op school. Nee, Diabolik werd bedacht door de twee goedlachse zussen Angela en Luciana Giussani. Angela kwam op het idee nadat zij in de trein een pocketboekje vond van Fantômas, een fictief karakter uit de franse pulpliteratuur, die er moordlustige praktijken op na hield.

Ook Diabolik deinsde er in het begin niet voor terug om iemand om te leggen. Zijn misdaden zijn er echter vooral op gericht om zijn vriendin te verrijken. Het maakte de zussen kennelijk niet uit dat er roofmoorden gepleegd werden, zolang de opbrengsten daarvan maar bij een vrouw terecht kwamen.

De Diabolik serie betekende het begin van een nieuw stripgenre: comics voor volwassenen, voorzien van een duistere of erotische kant. In Italië heet zo'n stripverhaal fumetti neri (de hoofdpersonen hebben altijd een 'K' in de naam) of fumetti per adulti. Ze zouden later een inspiratiebron vormen voor de makers van underground comics in de VS (denk aan de beweging rond Robert Crumb).



E-types op het omslag van de strippockets.

Het eerste nummer heette Il Re del Terrore (The King of Terror) en werd gevisualiseerd door een zekere Zarcone, een mysterieuze blonde striptekenaar van wie nog steeds niet de voornaam bekend is omdat hij kort na het het verschijnen van het eerste nummer spoorloos verdween. Pogingen om de man terug te vinden mislukten, waardoor het tekenwerk voor de volgende nummers aan anderen werd uitbesteed.

Diabolik is qua uiterlijk losjes geïnspireerd op de acteur Robert Taylor. Vooral de wenkbrauwen komen overeen en vormen het belangrijkste kenmerk van de stripheld. De keuze voor karakteristieke wenkbrauwen zal snel gemaakt zijn; er is immers verder weinig anders zichtbaar van je hoofd als je gemaskerd door het leven gaat...

Al in de stripserie rijdt Diabolik rond in zwarte Jaguar E-type's. De Jaguar verwijst naar de oorsprong van zijn naam; Diabolik werd vernoemd naar een gevaarlijke zwarte panter uit de omgeving van de criminele commune waar hij opgroeide. Een panter is natuurlijk geen jaguar, maar komt een eind in de buurt, zullen de zussen gedacht hebben.


Diabolik met de zwarte panter waaraan hij zijn naam ontleent.

De werkelijke geschiedenis achter de naam Diabolik is eigenlijk meer des Diaboliks. De Giussani's werden geïnspireerd door een mysterieuze moordzaak uit 1958 die bekend staat als " Via Fontanesi", waarbij een medewerker van de Fiat fabriek in Turijn werd omgebracht. De naam van de straat waar het lijk kon worden gevonden (Via Fontanesi) moest door de politie als een rebus worden samengesteld uit verschillende stukjes tekst. De politie vond op de plaats delict een briefje dat was ondertekend door een zekere "Diabolich".





Salvador Dali? Nee, Mario Bava.

Mario Bava (1915-1980) wilde eigenlijk naar de kunstacademie maar volgde uiteindelijk in de voetsporen van zijn vader, door als zijn assistent te gaan werken bij de filmstudio van Benito Mussolini. Hij werkte van 1939 tot 1958 als cameraman mee aan italiaanse horror films. In 1956 moest hij een film waarvan de regisseur halverwege was opgestapt tot een goed einde brengen. Zo deed hij ervaring op in regie en special effects.

De film werd een enorme hit en Bava ging daarop vaker het camerawerk combineren met special effects. Bovendien breidde zijn functie zich steeds vaker uit naar die van assistent regisseur. Vanaf 1960 regisseerde hij zelfstandig en nam ook vaak nog het script voor zijn rekening. De eerste film waarvoor hij zelf de regie voerde werd meteen een meesterwerk: Black Sunday. Deze film zorgde voor de doorbraak van actrice Barabara Steele.

Met Danger Diabolik ontpopt Bava zich als een meester van de optische illusie. Door simpele trucs weet hij indrukwekkende decors te creëren. Veelvuldig verwijst Bava naar de oorsprong van Diabolik als stripfiguur. Hij bereikt dat op een slimme manier door het beeld van driedimensionale kadreringen te voorzien die doen denken aan de kaders uit een stripverhaal. Met snel in -en uitzoomen van totaalshot naar close-up ontstaat hetzelfde effect. De film diende als inspiratie voor CQ, een film uit 2001, geregisseerd door Roman Coppola.


Psychedelische scène uit Danger Diabolik, zich afspelend in een nachtclub, die werd gerund door de mafia. Er zijn attributen zichtbaar die afkomstig waren van de set van Barbarella (dezelfde producer). Het openlijk gebruik van drugs in deze scene was destijds zeer ongebruikelijk en gaf aanleiding om dit deel uit de amerikaanse release te knippen. In de VS werd drugsgebruik pas twee jaar later openlijk getoond in een documentaire over Woodstock.



De Beastie Boys deden met hun videoclip van Body Movin' Danger Diabolik dunnetjes over door veelvuldig hun eigen close-ups in de originele scènes te monteren.



Kadreringen die verwijzen naar de oorsprong van Diabolik als stripfiguur


Coolste stukje uit de film: de identikit waarmee het gezicht van Eva Kant wordt gereconstrueerd. We zien ook nog Twiggy voorbij schieten. Het grappige is, dat de tekenstijl waarin Eva uiteindelijk verschijnt, precies overeenkomt met de manier waarop zij in de strippockets is getekend.





Ian Curtis? Nee, John Philip Law.

John Philip Law (1937-2008) was met zijn lengte (1 meter 95) en zijn blauwe ogen, als mannelijk sexsymbool van de jaren zestig, een veelgevraagd acteur in B-films, vooral van italiaanse makelij. Ook was hij een vaste gast bij Hugh Hefner in zijn Playboy Mansion. Hoewel hij in meer dan honderd films speelde, brak hij nooit door bij het grote publiek.

Naast hoofdpersoon in Danger Diabolik speelde hij de blinde engel Pygar in Barbarella (1968), eveneens een door Dino de Laurentiis geproduceerde verilming van een stripverhaal. Ook zou je 'm kunnen kennen van zijn rol van Robin Stone in The Love Machine (1971) en de zeiler uit The Russians Are Coming, The Russians Are Coming! (1966)

Voor de auditie van Diabolik werd Law van de set van Barbarella geplukt. Law was er van overtuigd dat hij de rol kreeg toebedeeld omdat hij vooraf heel wat werk in het opmaken van zijn ogen had gestoken (wenkbrauwen, oogleden en wimpers). Bava vond hem daardoor sprekend lijken op de stripheld.





Marisa Mell in de rol van Eva Kant.

Van de zeventig rollen die de oostenrijkse actrice Marisa Mell (1939-1992) in haar leven speelde, zou die van Eva Kant de bekendste worden. Het verhaal gaat dat Mell (echte naam was Marlies Theres Moitzi) in 1963 betrokken zou zijn geweest bij een zeer ernstig autoongeluk waarbij haar gezicht zwaar beschadigd raakte. Zij zou bijna haar oog hebben verloren en twee jaar lang plastische chirurgie hebben ondergaan. Des te vreemder dat er geen enkele foto is te vinden waarop zij niet een supergaaf gezichtje heeft.